Project: ‘Oe moe me noe’ (prijsvraag, publieksprijs, 2007)

Prijsvraag: ‘Nieuw Tij’
Lokatie: Provincie Zeeland
Projectteam: Studio Troost, Thijs Bouwman

Oe moe me noe - introductie Op de zoektocht naar het ideale woongenot, weg uit verstedelijkte gebieden, op zoek naar rust en groen biedt de provincie Zeeland een aantal uitgekiende alternatieven. Lokroepen als 'Zon, zee en strand' en 'Ik hou van mijn Zeeuwse landschap' komen niet zomaar uit de lucht vallen. Met enige reserve zou Zeeland met haar uitgestrekte platteland, de pittoresque dorpjes en het altijd nabije water, de mooiste provincie van Nederland genoemd mogen worden.

In de studies naar een toekomstscenario voor Zeeland als unieke woonplek hebben we ons geconcentreerd op het eiland Schouwen-Duiveland. Dit eiland kenmerkt zich door een perfecte bereikbaarheid en is uniek door de ligging aan drie van de fraaiste wateren van Nederland. Deze uitgangspunten maken het eiland een geschikte lokatie voor onze casestudie, maar de strategie die we hier presenteren is onveranderd van toepassing op de andere eilanden van de provincie.

De charme van Zeeland is tweeledig. Het Zeeuwse landschap ligt ten grondslag aan deze verleidelijkheid. De weidsheid, het unieke kleurenpallet met groene graslanden en blauwgrijze zeeklei, de Zeeuwse luchten en de patronen van sloten, wegen, bomenrijen, verkavelingspatronen en dijken, construeren een basislaag van grote aantrekkingskracht. Zoals bezongen in het Zeeuwse volkslied: 'Geen dierder plek voor ons op aard, geen oord ter wereld meer ons waard, dan waar beschermd door dijk en duin, ons toelacht veld en bos en tuin.' Uit deze basislaag steken de dorpen, boerderijen, natuurgebieden en monumenten als laccenten in het landschap, elk met een eigen verhaal over hun eigen tijd. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de boerderijen die na de watersnoodramp van 1953 gebouwd zijn. Ook de omranding van het platteland door dijken, duinenrijen en stranden behoort tot deze landschapaccenten. Het zijn incidenten, die lokaal de charme van het platteland vergroten, en daarmee de aantrekkingskracht van Zeeland.

Om een werkelijk antwoord te vinden op de vraag wat een nieuw woon-tij Zeeland kan brengen, heeft het geen zin zich te concentreren op deze landschapsaccenten. Hoewel zeer uitnodigend is uitbreiding van de dorpen te kleinschalig en te conservatief. Het opofferen van de mooiste landschapsaccenten aan de markt, zoals privatisering van de duinen, houdt niet terug te draaien verlies van woonkwaliteit voor de rest van de bewoners in. De aanleg van nieuwe grootschalige natuurgebieden falsificeert de schoonheid van het landschap en dreigt blijvende schade aan het agrarische landschap aan te richten. De onlangs weer opgelaaide discussie over 'ontpolderen' zegt hierover genoeg. Zelfs indien deze natuurgebieden gecombineerd zouden worden met woonfuncties ontstaan landschappen die weinig toevoegen aan de kwaliteit van het Zeeuwse landschap. Het invoegen van geconcentreerde woongebieden in de vorm van nieuwe dorpen ontkent de problematiek welke in feite ten grondslag ligt aan de huidige ontwikkelingen, de afname van het belang van de landbouw in de Zeeuwse economie.

Om op een substantiele manier het woningaanbod te vergroten, is gekeken naar een nieuwe, herkenbare en conscientieuze ingreep in de basislaag, het Zeeuwse landschap. Het uitgangspunt hiervoor is een studie naar de verdichting van de bebouwingsstructuur in het polderlandschap. Binnen de huidige polderstructuur kan, met behoud van het open, landelijke karakter, het aantal woningen verdrievoudigd worden. Dit aantal is gebaseerd op de analyse van de woningdichtheid van het dichtstbebouwde stuk platteland met landschappelijke kwaliteit. Indien deze dichtheid over het totaal beschikbare platteland wordt verspreid, komen ruim 550 kavels ter beschikking.

De verdichting van het platteland zal voor het grootste deel door de markt geinitieerd worden, waarbij de lokale overheid een sturende werking heeft. De lokatie voor nieuwbouw zal vrijkomen door het gedeeltelijk opschorten van de activeiten van boerenbedrijven. Afhankelijk van de lokatie en context kunnen per boerenbedrijf kunnen 2-8 extra woningen gebouwd worden. Zoals nu al de tendens is, verbreden veel boeren noodgedwongen hun activeiten richting toerisme met minicampings. In plaats van minicampings komen nu langs de randen van de akkerlanden lokaties voor nieuwbouw, die in hun schaal geen belemmering zijn voor agrarische activeiten, maar financieel een grote bijdrage leveren aan de boerenbedrijven.

De nieuwbouw wordt gerealiseerd langs bestaande polderwegen. Er worden geen nieuwe, zichtbare infrastructuurlagen toegevoegd, zodat het polderlandschap met kenmerkende zichtlijnen en structuren intact blijft. De plots zijn klein zodat het overgebleven land intact blijft voor landbouw. Desgewenst kan het overgebleven land beschikbaar gemaakt worden voor natuurlandschap en/of beweiding. Indien dit het geval is, wordt het boerenbedrijf in zijn geheel opgekocht door een natuurorganisatie, welke vervolgens winst uit de verkoop van de plots langs de wegen kan gebruiken voor de aanleg en onderhoud van het natuurgebied. In de natuurgebieden kan door de aanleg van helofytfilters de waterzuivering van de nieuwe woningen op ecologische wijze gerealiseerd worden.

Omdat de strategie primair is gebaseerd op initiatief van de boerenbedrijven, zal het plan in continue ontwikkeling zijn. Een deel van de bedrijven zal blijven bestaan terwijl een andere deel uitgekocht zal worden. Sturing door de lokale overheid is essentieel om het afwisselende patroon van natuur en akkerland in het landschap op elk tijdstip te garanderen. De strategie maakt de realisatie van 550 plots 'in de kantlijn' van akkerbouw en natuur mogelijk. Het eindbeeld geeft de potenties en richtlijnen weer voor de ontwikkeling van het landschap, maar zal per fase van ontwikkeling vastgesteld moeten worden.

deel 2
De reeds bestaande boerenhoeven in het gebied blijven. Als drager van diversiteit van woningtypologien zijn deze boerderijen het uitgangspunt. Indien de agrarische activiteiten gestaakt worden, is deze te verbouwen tot riante woning of appartementencomplex. In dat geval moeten schuren en andere bijgebouwen individueel worden beoordeeld op historische waarde en belang voor het geheel, en eventueel vervangen worden door gelijkvormige bouwvolumen. De grens van het boerenerf wordt kavelgrens, en de bestaande begroeiing blijft intact maar mag niet worden uitgebreid. Hoewel dit het totaal aantal realiseerbare woningen zal vergroten, is dit op zichzelf te marginaal om een structurele toekomstvisie te bieden voor de woningmarkt in Zeeland.

De nieuwe kavels waarop gebouwd kan worden zijn 15x15m. Om de continuiteit van het landschap te garanderen worden deze zonder tuin uitgevoerd. De ontmoeting tussen plot en het landschap wordt uitgedrukt in een betonnen schijf ter grootte van de plot, welke 40 cm boven het maaiveld uitsteekt. De opbouw op deze schijf wordt overgelaten aan de individuele opdrachtgever, mits deze maximaal 2 lagen hoog wordt. Het dakvlak moet wederom uitgevoerd worden als platte schijf die de hele plot bedekt. Desgewenst kunnen hier sparingen in gemaakt worden mits deze niet langs de rand liggen. Buitenruimte moet desgewenst binnen het bouwvolume opgenomen worden, waarbij gedacht kan worden aan patio's, balkons, binnentuinen, of dakterrassen. Ter omlijning van de kavels worden haaks op de zuidwester windrichting een enkele bomenrij van 30 meter geplaatst. Deze bomenrij zal als landschapselement dienen de nieuwe kavels in het landschap vast te leggen, terwijl deze voor de woning zelf luwte creert, zoals gebruikelijk rondom bestaande boerenhoeven. De rooigrens van de bebouwing ligt terug ten opzichte van de weg, afhankelijk van het wegprofiel. Een betonnen oprijpad verbindt de woning met de weg.

Gezamenlijk dienen deze richtlijnen om een in het landschap herkenbare typologie te ontwikkelen die zich aan de ene kant onderscheidt van de rest van de bebouwing zoals de boerderijen van na 1953 dat doen, maar die zich aan de andere kant in het landschap voegt op een manier die de weidsheid van het Zeeuwse landschap versterkt.

Indien het boerenbedrijf ophoudt te bestaan, wordt het vrijgekomen akkerland in samenwerking met natuurorganisaties omgebouwd tot grasland. In dat geval wordt in het grasland een helofytfilter opgenomen voor de zuivering van afvalwater. Hiervoor krijgen de woningen twee betonnen bezinktanks naast de kavel. Deze vorm van natuurlijke waterzuivering is door zijn groene karakter, geringe capaciteit en grote ruimtebeslag zeer geschikt voor dit project. Het helofytfilter takt vervolgens aan op het slotenpatroon in het landschap. In de grasgebieden kan op kleine schaal vee grazen. Zo blijft het gebied zijn open karakter houden. Bestaande lijnen, patronen en elementen in het landschap worden nadrukkelijk bewaard, deels doordat het totaalproject zich per boerenbedrijf zal ontwikkelen. Tussen de blijvende akkerlanden binnen dit landschapspatroon zullen de graslanden een attractief netwerk vormen voor allerhande flora en fauna.

De verkoop van de kavels kan voor de boerenbedrijven redelijk lucratief zijn. Deze opbrengsten kunnen voor de boer een stimulans zijn te investeren in duurzame vormen van landbouw, waardoor de bedrijfstak zich kan aanpassen aan de nieuwe eisen van de markt. Te denken valt aan biologische landbouw, of de verbouw van nieuwe, exclusieve gewassen waarvoor een hoge startinvestering gedaan moet worden. Indien een boer besluit 6 bouwkavels van 225 m2 te verkopen, levert dit bij de huidige grondprijzen rond de 50.000 euro per kavel op. In totaal komt dat dus neer op 300.000 euro.